____________________________________________________________________
Antwoord op Kamervragen Jan de Wit (SP) Pdf versie

27 oktober 2004
Ons kenmerk
DDS 5314628
Uw kenmerk
2040500670
Bijlage(n)
1

Onderwerp
Antwoorden op vragen over vrijlating van Maarten Blok
Hierbij zend ik u de antwoorden op de schriftelijke vragen, nummer 2040500670, ingezonden op 30 september 2004, gesteld aan mij door het lid van uw Kamer De Wit (SP) inzake de vrijlating van Maarten Blok.

De Minister van Justitie,
Antwoorden van de Minister van Justitie op de vragen van het lid De Wit (SP) over de vrijlating van Maarten Blok. (Ingezonden 30 september 2004, nr. 2040500670)

Vraag 1
Bent u bekend met het feit dat de aan Zweden uitgeleverde Maarten Blok is vrijgelaten?

Antwoord 1
Ja.

Vraag 2
Hoe oordeelt u over het feit dat Blok werd vrijgelaten nadat was aangetoond dat de verklaring van enkele agenten niet klopte?

Antwoord 2
De Minister van Justitie heeft geen oordeel over de rechtsgang in andere EU-lidstaten.

Vraag 3
Deelt u uw oordeel mee aan uw Zweedse collega van Justitie?

Vraag 4
Erkent u dat door onder meer Amnesty International en de advocaat van Blok, de heer Koppe, ook ten overstaan van de rechter in Nederland en tegenover uzelf is betoogd dat het bewijs ondeugdelijk was? Erkent u thans dat in deze zaak door de Zweedse autoriteiten is geprobeerd om bewijs te verdraaien?

Vraag 5
Leidt deze zaak bij u tot een kritischer houding ten aanzien van door andere landen aangeleverd bewijs? Zo neen, waarom niet?

Vraag 6
Heeft dit gevolgen voor uw opvatting over het door u aangehaalde vertrouwensbeginsel vanwege het feit dat Zweden partij is bij het EVRM?

Antwoord
Voorzover bewijs is overgelegd geldt als uitgangspunt van Nederlands uitleveringsrecht dat het niet behoort tot de taak van de uitleveringsrechter te beoordelen of het bewijs naar het recht van de verzoekende staat ondeugdelijk is. Indien de opgeëiste persoon het verweer voert aangaande zijn onverwijlde onschuld, dan dient de uitleveringsrechter dit te onderzoeken, zonder dat daarbij diepgaand onderzoek nodig is. In de zaak van Maarten Blok heeft de Rechtbank te msterdam geoordeeld dat van een zodanig verweer geen sprake was.

Er is geen reden aan te nemen dat de Zweedse gerechtelijke procedure niet adequaat functioneert. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich mee dat er vanuit dient te worden gegaan dat Zweden, dat partij is bij het EVRM, de door middel van dit verdrag erkende fundamentele rechtsbeginselen met betrekking tot ondermeer een eerlijke procesvoering, eerbiedigt. De Zweedse rechter wordt derhalve in staat geacht te kunnen beoordelen of het gepresenteerde bewijsmateriaal voldoende is om tot een veroordeling te komen.

Ik zal deze antwoorden ter kennisneming aan mijn ambtgenoot in Zweden doen
toekomen.